zondag 17 november 2013

The Pacific Highway

Het is al weer even geleden dat jullie van mij gehoord hebben. Zoals jullie je wellicht nog kunnen herinneren, ben ik op het moment aan het reis in Australie. Degenen met een echt goed geheugen kunnen zich misschien ook nog herinneren dat ik bij het uitkomen van mijn vorige blog op het punt stond om te gaan wwoofen. Er is ondertussen erg veel gebeurd. Ik ben inderdaad wezen wwoofen, en daar ben ik uiteindelijk drie weken gebleven. Ik heb daar vele, naar ik aanneem, authentieke Australische ervaringen gehad. Ik ben wezen 4WD'en (eng!), paardrijden, kampvuren, geweer geschoten, dat soort dingen. Daarna ben ik naar Coolangatta gegaan, aan de Gold Coast. Daar heb ik gesurfd, wat ontzettend leuk was, maar zo vermoeiend dat ik de moed nog niet heb gevonden om het nog een keer te doen. Daar besloot ik ook dat ik toch wel erg graag een auto zou willen hebben. En zo begon de autojacht. Terwijl ik daar was kreeg ik een telefoontje van mijn oude wwoof-host: of ik het leuk zou vinden om Linda een week te helpen op haar paardeboerderij. Linda is een vriendin van de mensen waar ik eerst was, en eigenaar van een paardeboerderij waar ze paarden fokken en in pension hebben. Tevens is ze Nederlands. Zo geschiedde het dat ik daar  naartoe ging, en het was zo leuk  dat ik  er uiteindelijk ook drie weken ben gebleven. De auto die ik uiteindelijk heb gekocht was Linda's oude auto, die ze net de week ervoor zo goed als cadeau had gedaan aan een bevriende mechanic. Ik  kon hem goedkoop weer van die mechanic overnemen. De auto is een Toyota Camry - ouder dan ik ben - en heet ook wel Claude, of soms My Little Camry.  Tijdens mijn verblijf bij Linda heb ik  nog meer  authentieke  Australische ervaringen op gedaan: ik ben naar de rodeo geweest en ik ben getuige geweest van hoe iemand een eastern brown snake (gevaarlijkste slang van Australie) heeft gedood met een schop.

Toen ik  uiteindelijk besloot dat het tijd  was om door te reizen, kreeg ik gezelschap van een belgische meid,  Elisa. Eerst hebben we drie nachten gekampeerd in twee nationale parken, Lamington en Springbrook, wat erg mooi was, maar veel regen! Toen zijn we doorgereisd naar Byron bay en Nimbin. Nimbin is een soort van hippie-commune, waar men om de haverklap  probeert om je drugs aan te smeren. Maar ook zijn er veel organische boerderijen en dat soort dingen. Een erg leuke  plek! Eerder was mij beloofd dat Byron bay soort van het beloofde land was. Hoewel Byron erg leuk was, was het veel commercieler  dan Nimbin en erg toeristisch, en daarom was ik  er ietwat teleurgesteld in, vergeleken met Nimbin, maar het was nog steeds erg leuk.

Daar heeft Elisa mij verlaten, en nu  ben  ik  op weg naar Sydney.  Dat brengt mij  tot de titel van deze blog: the pacific highway, ofwel de M1/A1. Deze snelweg gaat in ieder geval van Brisbane naar Sydney, maar misschien ook nog wel noordelijker of zuidelijker.  Dat het de M1  heet,  duidt erop dat het zo'n beetje de belangrijkste verkeersader van het land  is.  Dat schept enige  verwachtingen wat betreft kwaliteit en kwantiteit.  Net ten zuiden  van  Brisbane  is de M1 vierbaanssnelweg.  Dat gaat helaas niet op voor de hele weg. Al snel na  het verlaten van  Byron Bay kwam ik erachter dat het niet veel meer is dan een provinciale weg. Meestal 1 rijstrook per rijrichting, 80 of 100, en vele onderbrekingen zoals  dorpjes/steden  (nee, daar  gaat de weg niet omheen!)  en  wegwerkzaamheden, eindeloze wegwerkzaamheden. Hoewel het van Byron Bay naar Sydney 800 km is, en je die afstand in principe dus best in 1 dag zou kunnen  rijden in Europa, is dat hier onmogelijk.  Want je moet om de haverklap stoppen of 60 km/h rijden. Schiet niet op!! Dus doe  ik het met  wat  tussenstops: nu in Coffs Harbour, morgen  New Castle en dan... Sydney!

Ik ga mijn uiterste best doen om weer wat vaker te bloggen, want jullie zitten natuuuuurlijk te smachten voor meer verhalen van Down Under.

Anyway, See ya!

(geen woordenlijst dit keer. Ik kan me  al niet meer herinneren welke woorden Australisch zijn en welke niet)

maandag 23 september 2013

Op naar het zuiden

Na twee weken in Far North Queensland ben ik naar het zuiden getrokken. Eerst ben ik met de trein van Cairns naar Airlie Beach gegaan. Dit is een afstand van ruim 600 km. Je zou zeggen dat je dat in 5 of 6 uur ruim zou moeten kunnen halen. Helaas doen ze hier niet aan hogesnelheidstreinen, maar alleen aan lagesnelheidstreinen. Het duurde namelijk maar liefst 11,5 uur. Dit betekent dat de gemiddelde snelheid niet hoger lag dan 52 km/u. Er zaten wel redelijk wat tussenstations in, maar dan nog is dat niet erg snel. Desondanks was het een prettige reis en de tijd vloog voorbij. De volgende dag ben ik op een zeiltocht rond de Whitsundays gegaan: 2 dagen, 2 nachten, heel veel zon, heel veel zee. En heel veel witte stranden, met als hoogtepunt Whitehaven Beach, waar het zand superfijn  en superwit is.
Voor de meeste mensen is het heel leuk om de hele dag op een boot te zijn. Behalve voor een meisje, die de helft van de tijd zeeziek is geweest: balen! De echte uitdaging van het leven op een boot kwam echter pas 's avonds, toen we moesten slapen op die boot. Je zou zeggen dat het meest vervelende aspect daarvan het schommelen van de boot is. De slaapkamers bevonden zich namelijk in de twee drijvers van de catamaran, en daar is het schommelen het hevigst. Hoewel dit betekende dat je soms als het ware een halve meter naar beneden viel, door een hoge golf, was dit niet het ergste. Dat was het constante geluid van de golven op de drijvers. Klots, klots, klots. Keihard! Zo luid dat ik het door mijn oordoppen heen kon horen. En als je er eenmaal naar ging luisteren, kon je niet meer slapen (net zoals bij een hard tikkende klok). De slechte nachtrust weerhield me er echter niet van om de volgende dag voor zes uur op te staan om de zonsopkomst te zien. Aan de oostkust kun je helaas geen zonsondergang boven zee zien, vanwege het feit dat het de oostkust is. Maar een zonsopkomst boven zee is bijna net zo speciaal.

Eenmaal terug aan wal ging ik plannen maken voor de verdere reis naar het zuiden: naar Brisbane, waar het mijn doel is om voor een aantal weken werk te zoeken. Ik had het plan om met de trein te gaan. Die reis is namelijk 15 uur, waar de bus er 20 uur over doet. En de trein is ook nog eens veel goedkoper! vanwege de 'international backpacker discount', die 40% bedraagt. Om een of andere reden kon ik de trein die op zondag gaat echter niet boeken. Navraag bij de receptie onthulde dat die niet reed, zomaar. De zaterdagtrein was weliswaar minder luxe, maar verdiende nog steeds de voorkeur boven de bus. Deze was echter volgeboekt, alsook de dinsdagtrein. (ja, er gaan hier maar 4 of 5 treinen per week) De reden hiervoor is de aanstaande schoolvakantie. Pensionado's in Australie mogen twee keer per jaar gratis met de trein reizen op een traject naar keuze. Daar maken ze veelvuldig gebruik van in de schoolvakantie, om hun kleinkinderen op te zoeken. Op deze dagen verandert de trein dus in een Benidorm-express, wat voor mij betekent dat ik dus ben aangewezen op de twintig-uur-durende Greyhound-busreis naar Brisbane. De enige troost is dat ik mij als een ware Jack Kerouac kan wanen, die het Noord-Amerikaanse continent overstak met de Greyhound.

Na een aantal dagen in Brisbane te hebben doorgebracht, kwam ik erachter dat ik alleen een baantje buiten zou willen hebben, vanwege het feit dat ik soort van op vakantie ben en dus niet de hele tijd binnen wil zijn. Dit betekent een baantje als farmhand of als fruitplukker. Beiden zijn er echter niet voor het oprapen. Daarom ben ik op het moment aan het wwoofen. Wwoof is een organisatie die backpackers en boeren met elkaar in contact brengt. De backpackers werken vier tot zes uur per dag in ruil voor gratis accommodatie en eten. Daarnaast is het natuurlijk de perfecte gelegenheid om in aanraking te komen met de echte Australische cultuur. Het adres waar ik ben heeft paarden en honden en heel veel kinderen! Hier zal ik de komende paar weken verblijven.

Bon, de mensen zijn hier supervriendelijk! Toen ik met Matt, mijn reisgenoot van Airliebeach naar Brisbane, aan een buschauffeur vroeg of hij langs onze straat kwam, zei hij ja. Toen vroeg ik welke halte bij ons hostel hoorde. Dat wist hij niet en het speet hem enorm. We mochten overigens gratis mee. Toen we uitstapte, zei hij nog eens dat hij hoopte dat we het konden vinden. Een dag later, tijdens het Brisbane festival, werden we aangesproken door iemand, dat we hem bekend voorkwamen. Het was de buschauffeur! Hij vroeg  of we het uiteindelijk hadden kunnen vinden. En toen wenste hij ons een fijne avond. Geweldig toch?

Er zijn een aantal dingen waar ik nog aan moet wennen. Zo loop ik op de stoep nog steeds aan de rechterkant, terwijl iedereen links loopt. Dat leidt vaak tot bijna botsingen. Ook op de roltrap sta ik rechts, wat tot veel ongeduldige mensen achter me leidt. Daarnaast heb ik de neiging om in foodcourts (Voor wie niet weet wat dat is: gebied in een winkelcentrum met heel veel (Fast) foodkraampjes en heel veel tafeltjes om het op te eten) achter me aan op te ruimen. Er is personeel om alles netjes te houden, dus je hoeft je afval niet op te ruimen. Ik heb dan ook al veel ongelovige blikken gehad van reisgenoten.

Nieuwe Australische slang:

Dunnie - wc
Joey - babykangaroo
Swimmers - bikini/zwembroek
Thongs - slippers
Footie - AFL (Australian rules Football)

donderdag 12 september 2013

Wat een wondere wereld

Na enkele dagen van administratieve rompslomp, zoals het regelen van een bankrekening en belastingnummer, en acclimatisering, ben ik afgelopen maandag naar het Great Barrier Reef geweest. Om half acht 's ochtends werd ik naar de haven gebracht, alwaar een catamaran van Passions of the Reef op mij lag te wachten. Er zijn vele soorten  boten die reeftours doen, maar mij was verteld dat de catamaran relatief stabiel in het water ligt. Gezien de zee niet helemaal rustig was, vanwege aanhoudende wind, leek dit mij verstandig, want ik wist niet of ik zeeziek zou worden. De rit was nogal 'bumpy', zoals voorspeld, maar gelukkig ben ik niet zeeziek geworden. Anderen wel, maar dat heb ik van mij af kunnen zetten.  De tocht naar het rif duurde ongeveer 2 uur. Het rif ligt namelijk een heel eind van de kust af. In die tijd kon je lekker op het dek zonnen of anderszins lanterfanten (of dus twee uur lang zeeziek zijn).
De eerste locatie was vlakbij een eilandje, dat een broedplaats voor vogels was. De boot stopte ongeveer honderd meter van het strand af en vanaf daar konden we naar het strand snorkelen. Voor degenen die niet van zwemmen hielden, ging er een bootje op en neer tussen de boot en het strand. Mijn snorkeltripje begon goed, want nog voordat ik in het water lag, zag ik al een schildpad, die naar boven kwam voor adem. Eenmaal in het water werd ik meteen gegrepen door de schoonheid van het rif. Supermooi!  Er waren allerlei verschillende soorten koraal te zien en ontelbaar veel verschillende vissen, in alle kleuren van de regenboog. Niet alleen geel en blauw, maar ook roze en oranje. Heel even had ik er spijt van dat ik geen onderwatercamera had gehuurd, maar toen bedacht ik me dat je toch nooit recht zou kunnen doen aan wat je onderwater ziet. Het blijft dus bij een herinnering, die ik niet adequaat met jullie kan delen. Even later zag ik weer een schildpad, ditmaal onderwater, half verscholen onder een berg koraal. Daar keek ik even naar, maar toen trok hij zich terug. Het wonderbaarlijke aan schildpadden is dat ze zo oud kunnen worden, en dat straalt op een of andere manier van ze af. Tussen de schichtigheid van de vissen zijn ze als een baken van kalmte.
Na ongeveer anderhalf uur snorkelen vertrokken we naar het volgende rif. Ik was ondertussen helemaal verkleumd geraakt, want het water was niet erg warm en de wetsuit hielp daar niet echt tegen. Er werd op de boot een 'tropische' lunch geserveerd, die weliswaar zeer smakelijk was, maar afgezien van het tropische fruit niet echt tropisch. (Nota bene: het fruit in Australie is zoveel lekkerder dan in Nederland. Vooral de ananas is super smaakvol). Vrijwel direct na de lunch kwamen we aan op de tweede locatie. Onverschillig jegens het feit dat we net hadden gegeten, werd er meteen weer gezwommen en gedoken. Dit tweede rif was een 'diepzee' rif in de zin dat het water hier een stuk dieper was en onderhevig aan de stroming van het water. Rondom de rifbank viel de bodem van de zee weg in de diepte: daar wilde je dus niet zwemmen, want dat is eng. Waar je bij het vorige rif het koraal bijna kon aanraken als je aan de oppervlakte dreef, moest je hier toch wel een paar meter duiken om er bij in de buurt te komen (hoewel je het koraal natuurlijk niet mag aanraken). Hoewel dit rif minder spectaculair was qua kleuren, was het in allerlei andere opzichten veel meer bijzonder. Zoals ik al zei, kon je hier de effecten van de stroming van het water veel beter merken. Als snorkelaar dreef je op de golven en daar werd je constant door meegesleept. Ook sloegen er regelmatig golven in de snorkel, wat resulteert in een mondvol zout water. Deze golven waren onderwater ook merkbaar. De scholen vissen werden constant rondgeslingerd door de stroming en het koraal deinde mee . Door die stroming werd je echter veel meer deel van de oceaan als snorkelaar. De vissen zwommen veel dichterbij. Als je je door de stroming liet leiden, zwommen de vissen in scholen om je heen, omdat je werd herkend als deel van de zee. Het was bijna een soort spirituele ervaring: de realisatie dat je deel kunt uitmaken van die onderwaterwereld door erin op te gaan. Op een gegeven moment kreeg ik er schik in om als een soort dolfijn door het water te flipperen, door de scholen vissen heen, die daardoor net als in de natuurdocumentaires wegschoten maar achter mij meteen hergroepeerden. Kou en tijd brachten ook aan deze snorkelsessie een eind, maar ik heb wel wonderbaarlijke dingen gezien. De meest markante soort die ik heb gezien was een vis van misschien een meter lang, heel dun, nauwelijks vinnen, met een gele streep over het hele lijf en achter de staartvin nog een extra soort stokje, in helblauw. Op dit rif heb ik helaas geen schildpadden gezien, maar ik vermoed dat dit rif te diep voor ze was (vanwege het feit dat ze boven moeten komen voor adem).

Hoewel het natuurlijk fantastisch is dat er op het rif gesnorkeld en gedoken kan worden, zorgt dat er wel voor dat dat rif uiteindelijk beschadigd raakt, hoe voorzichtig er ook mee wordt omgesprongen. En dat is natuurlijk erg zonde.

Mijn andere spirituele belevenis vond plaats in het regenwoud. De dag na het snorkelen ging ik mee op een toer naar Cape Tribulation, de plek waar het regenwoud en het Barrier Reef bij elkaar komen. De toer was in principe een dagtoer, maar je kon er voor kiezen om na het ochtendprogramma in Cape Trib te blijven. De dag van je vertrek zou je dan het middagprogramma doen. In die ochtend heb ik wat krokodillen gezien, tijdens de crocodile cruise over de Daintree rivier. Dit waren de bijzonder gevaarlijke estuarine crocodiles, oftwel salties, die zich ophouden op plekken waar rivieren uitmonden in zee, zoals de naam wellicht al doet vermoeden. Het echte spektakel kwam echter pas toen ik aankwam bij de accommodatie voor de komende twee nachten. Het Cape Tribulation Beach House bevond zich aan de rand van het regenwoud: met nog eens twintig passen vanaf het restaurant stond je op het strand. Dit strand was werkelijk paradijselijk: hagelwit zand dat langzaam overging in zachtblauwe golven, tegen een achtergrond van helblauwe lucht en bijna obsceengroen regenwoud (foto's volgen nog op facebook). Als je je paradijs inbeeldt, dan was dit het. Helaas kwam ook dit paradijs met een minpuntje: de aanwezigheid van de eerdergenoemde salties. Het kwam erop neer dat je niet kon zwemmen, want dan zou je weleens kunnen worden opgegeten. Pootjebaden ging nog net, maar wel met liters angstzweet. Gelukkig was het ook al heerlijk om gewoon lekker op het strand te zitten en verdiept te raken in het gegeven dat de oceaan voor je zich uitstrekt tot Zuid-Amerika, wat een onverwacht aangrijpende gewaarwording is.
Ik heb in dit paradijs echter niet alleen op m'n gat gezeten maar ook nog wat activiteiten ondernomen. Op de tweede dag heb ik Mount Sorrow beklommen. Mount Sorrow is de hoogste berg in de omgeving. Hij is voor Alpiene begrippen niet erg hoog, slechts 608 m, maar als je je bedenkt dat je zo ongeveer op de bodem begint, is het een behoorlijke inspanning. 600 m stijgen over 3,5 km is vrij stijl, en dan was het weer ook nog eens tropisch. Het wordt afgeraden om deze wandeling in je eentje te ondernemen, en je moest je uitschrijven bij de receptie en weer inschrijven als je terugkwam. Naast de zwaarte van de route an sich zit er namelijk ook nog een keur aan gevaarlijke beesten in het bos. 6 soorten slangen die zijn geclassificeerd als 'zeer gevaarlijk'; een handvol slangen die niet zeer gevaarlijk zijn maar toch nog venijnig kunnen bijten; spinnen en allerlei andere giftige dingen. Waar je echter het meest voor moet uitkijken zijn 'feral pigs', die je kunnen spiezen op hun slagtanden, en cassowaries. Cassowaries zijn manshoge vogels die bijzonder agressief kunnen zijn en ledematen kunnen openrijten met hun scherpe klauwen. En het lot wil nou net dat Cape Tribulation een van de gebieden is waar de cassowary veelvuldig voorkomt.
Gelukkig had ik in de toerbus een jongen ontmoet die ook in het beach house overnachtte en ook van plan was om die wandeling te maken. Zo geschiedde het dat we om half zeven 's ochtends vertrokken richting de top van Mount Sorrow. Het was behoorlijk afzien naar de top, maar daar zal ik verder mijn mond over houden. Het uitzicht was echt fenomenaal: overal zee en bergen voor zover je kon kijken en de lucht was vol met vlinders.
De afdaling ging behoorlijk wat sneller: 2 uur tegenover drie uur naar de top. Hoewel het een bijzondere tocht was, was ik blij dat ik weer veilig beneden was, want stijl omhoog klimmen terwijl je ook de hele tijd uit moet kijken voor slangen is toch wel vermoeiend. Gelukkig (of helaas) zijn we geen gevaarlijke beesten tegengekomen. Voor de rest van de dag was ik wel uitgeteld en heb ik niet veel meer gedaan dan luieren.
De derde dag heb ik paardgereden door de bossen en over het strand. Om acht uur 's ochtends werden we (ik en een ander meisje) opgehaald bij het hostel en in een noodvaart naar de paardenboerderij gebracht. Daar werden we opgewacht door twee dolenthousiaste hondjes, die constant met elkaar aan het stoeien waren. Mijn paard heette Midnight, en hoewel het weer even wennen was om in het zadel te zitten, konden we het al snel goed met elkaar vinden. Tijdens de rit hebben we een aantal keer over het strand gegallopeerd. Hoewel dit best leuk was, was het niet de 'all-out' rengalop waar ik op had gehoopt. Het was allemaal een beetje tam, maar nog steeds bijzonder leuk, extra speciaal gemaakt door de mooie omgeving.
Na het paardrijden ging ik weer verder met de toer, en heb ik regenwoud ijs gegeten: wattleseed ijs (dat naar cappuccino smaakte, yellow sapote, suikerbanaan en kokos. Lekker!

Wildlife-score:

- zoutwaterkrokodillen
- lace monitor lizard
- tropische vlinders
- kingfisher (vogel)
- bushturkey
- kikkers, hagedissen

Aan het eind van de dag werd ik afgezet in Port Douglas, waar ik twee nachten blijf. Het is een soort resort stadje, met allemaal luxe vakantieaccommodaties en Dougies, waar ik verblijf. Gezeten bij een supercharmant boekwinkeltje/cafe genaamd Whileaway, breng ik jullie deze blogpost. Het is puur genieten.

Tot slot: Australisch woordenboek (australische slang die ik heb opgepikt)

Bogan -  term voor een groep mensen die nogal apart zijn. Queensland, waar ik nu ben, wordt door de rest van het land als tamelijk zonderling beschouwd. De Queenslanders zijn daarmee 'bogan' in de ogen van de rest.

Brekkie - ontbijt
Bikkies - koekjes

(Australiers hebben dit soort woorden voor  alles)

Heel veel liefs!

And remember guys: always be Cass-o-wary!

vrijdag 30 augustus 2013

Introductie

Welkom op mijn weblog!

Hier zal ik het komende half jaar berichten over mijn reis in Australiƫ en Niew-Zeeland.

In tegenstelling tot wat de titel wellicht doet vermoeden, zal ik in het Nederlands bloggen.

Heel veel leesplezier, en tot over een half jaar!


Het begin...

Then a strange thing happened.
The house whirled around two or three times and rose slowly through the air. Dorothy felt as if she were going up in a balloon.
The north and south winds met where the house stood, and made it the exact center of the cyclone. In the middle of a cyclone the air is generally still, but the great pressure of the wind on every side of the house raised it up higher and higher, until it was at the very top of the cyclone; and there it remained and was carried miles and miles away as easily as you could carry a feather.
It was very dark, and the wind howled horribly around her, but Dorothy found she was riding quite easily. After the first few whirls around, and one other time when the house tipped badly, she felt as if she were being rocked gently, like a baby in a cradle.

Hour after hour passed away, and slowly Dorothy got over her fright; but she felt quite lonely, and the wind shrieked so loudly all about her that she nearly became deaf. At first she had wondered if she would be dashed to pieces when the house fell again; but as the hours passed and nothing terrible happened, she stopped worrying and resolved to wait calmly and see what the future would bring. 
In spite of the swaying of the house and the wailing of the wind, Dorothy soon closed her eyes and fell fast asleep. She was awakened by a shock, so sudden and severe that if Dorothy had not been lying on the soft bed she might have been hurt. As it was, the jar made her catch her breath and wonder what had happened. Dorothy sat up and noticed that the house was not moving; nor was it dark, for the bright sunshine came in at the window, flooding the little room. She sprang from her bed and with Toto at her heels ran and opened the door.
The little girl gave a cry of amazement and looked about her, her eyes growing bigger and bigger at the wonderful sights she saw.
The cyclone had set the house down very gently--for a cyclone--in the midst of a country of marvelous beauty. There were lovely patches of greensward all about, with stately trees bearing rich and luscious fruits. Banks of gorgeous flowers were on every hand, and birds with rare and brilliant plumage sang and fluttered in the trees and bushes. A little way off was a small brook, rushing and sparkling along between green banks, and murmuring in a voice very grateful to a little girl who had lived so long on the dry, gray prairies.

(uit: the wizard of Oz door L. Frank Baum)

Zo voelde ik mij ook een beetje: je stapt in een bouwwerk waarvan je nog steeds niet zo goed weet hoe het werkt en opeens ben je in een vreemde, wonderschone wereld.
Maar daar ging natuurlijk  nog heel wat leed aan vooraf.

Wat een drama! Het eerste traject van de vlucht ging zo voorspoedig: niet gehuild, niet gekotst, nauwelijks gestresst.

Maar toen: aankomst op Bali, alwaar ik over moest stappen op de vlucht naar Darwin en Cairns.

'U moet daar een visum kopen mevrouw. Nee er is geen transit-zone; (ondanks dat ze op schiphol nog specifiek hadden gezegd: ga niet door de douane!) je moet door customs en dan je baggage opnieuw inchecken.'
Kosten visum: 30 dollar. Met dank aan oom Wim had ik die tenminste bij me, want het moest ook nog eens cash betaald worden. Dan: baggage ophalen, ook al is mij nog heel specifiek geinstrueerd dat ik die niet hoefde op te halen, want hij zou doorgelabeld worden tot Cairns. Dan: de baggage door de securitycheck. (Huh? Dat gebeurt toch altijd van tevoren?) Vervolgens door drie verschillende paspoortcontroles en dan eindelijk vrij, om opgewacht te worden door een muur van warme zweterige lijven en warme indonesische lucht. Iedereen wilde mn baggage dragen, maar die heb ik toch mooi zelf mee gesleept.

Het inchecken van de baggage ging nog redelijk voorspoedig, hoewel mij wel werd medegedeeld dat ik die in Darwin weer moest ophalen. Nog een keer door customs, zucht...

Op dit punt had ik in ieder geval een medepassagier gevonden die net iets beter dan ik de weg wist. Samen door een paspoort-, boarding- en instapkaart controle (ja, die dingen zijn verschillend in indonesie), en dan de passenger service fee: 150.000 roepie, wat meer is dan het klinkt, maar toch altijd nog 20 AUD.

Nog een boardingcard controle, en toen eindelijk voorbij de douane, hoewel ik dus nog een keer door de security moet.

Eindscore:
 
- in de rij voor een visum
- twee keer door immigrations
- 2 keer ruimbaggage door de security
- 3 keer boardingpass controle
- 50 AUD armer door de balinese bureaucratie.
- heel veel stress
- heel veel zweet

Conclusie:

Reis nooit via Bali naar een volgende bestemming. Het is namelijk supervervelend!

Pluspuntje: ik  heb nu wel een extra stempel in mn paspoort ;)

Na deze hel komen we 's nachts in de hemel aan als we Darwin naderen. De lichtjes van de stad begroeten degenen die uit het raampje kijken; voor de rest is het leeg. Bij mij komt een scene uit de film 'Australia' op: de half-Aboriginal kindjes die op een eiland voor de kust van Darwin woonden, werden dood geacht, omdat dat eiland was gebombardeerd. Dan komt er een bootje aanvaren met al die lieve kinderen en ze zingen 'Ave Maria'. Australie voelt op dit moment echt een beetje als het beloofde land.
(nu ik tijdens het schrijven weer aan die film-scene denk, schieten de tranen me bijna in de ogen, maar dat zal ongetwijfeld door het grandioze slaaptekort komen, waarover zo meer.)

 De check-out in Cairns loopt voor de verandering voorspoedig. Al snel sta ik buiten op het shuttle-busje te wachten dat mij naar m'n hostel gaat brengen, onderwijl genietend van het heerlijke weer: 24 graden, flink wat zon met een briesje, begeleid door een palet aan tropische planten en bloemen en het vrolijke gekwetter van de plaatselijke vogels (naar ik vermoed gaat het om de kookaburra).  Het is inderdaad net de wondere wereld van Oz!

Het hostel is een plaatje. Twee woonhuizen zijn omgebouwd tot hostel, wat een gezellige sfeer biedt. Er zijn palmbomen, er is een zwembad en de kamer is netjes. Na een verfrissende douche ga ik naar de mall om een aantal zaken te regelen, vergezeld door een kamergenoot. Uitkomst: ik heb nu een australische bankrekening en een australische simkaart. Wat boodschappen gedaan, broodje bij de sub gehaald en toen was ik uitgeput, wat me er overigens niet van weerhield om even te gaan zwemmen (reacties: are you crazy?! It's freezing!, wat niet zo was).
Ik had me namelijk voorgenomen om niet te gaan slapen na aankomst in Australie, om die jet lag bij de kladden te grijpen en uit het raam te gooien. Dit betekent wel dat ik, naar berekening van mijn biologische klok, midden in de nacht wakker ben. Al gauw, het is nu zo'n half vier, kan ik echt niet meer wakker blijven en besluit ik toch maar even te gaan liggen. Na een half uur ben ik wel weer braaf opgestaan.

Ik laat jullie nu achter terwijl ik mij opmaak voor 'pizza night', wat zo ongeveer is wat de naam doet vermoeden.

Heel veel liefs en tot de volgende keer!